Op 23 mei 2018 deed de rechtbank Oost-Brabant uitspraak in een rechtszaak tegen Bergopwaarts in Deurne. De eisende partij vorderde onder meer schadevergoeding omdat zij verkeerd zou zijn geïnformeerd over Koopgarant en omdat de terugkoopprijs anders was berekend dat wat zij had verwacht. De eisende partij werd op alle onderdelen in het ongelijk gesteld.

 

Advocaat

De eiser was voormalig eigenaar van een Koopgarantwoning. Zij werd bijgestaan door advocaat Den Boef uit Houten. Deze advocaat heeft inmiddels enkele tientallen procedures lopen tegen corporaties her en der in het land. In deze procedures zijn er aanzienlijke overeenkomsten voor wat betreft de eisen, beweringen en stellingen, die de advocaat namens zijn cliënten verwoordt.

 

Waardeontwikkeling

De eiser gaf aan begrepen te hebben dat de waardeontwikkeling tussen verkoop en terugkoop berekend zou worden als het verschil tussen de uitgifteprijs en de marktwaarde bij terugkoop. Pas recentelijk bleek haar, zo stelde zij, dat Bergopwaarts de waardeontwikkeling had berekend als het verschil tussen de marktwaarde bij verkoop en de marktwaarde bij terugkoop.
De rechter oordeelde dat in de Koopgarantbepalingen, die de koper had ontvangen bij de koopovereenkomst en die deel uitmaakten van de akte van levering, de wijze van berekening van de terugkoopprijs duidelijk beschreven was. En dat de verrekening van de korting dus onderdeel uitmaakte van de overeenkomst tussen partijen.

 

Informatieplicht

De rechter hield niets overeind van de beweringen van de eiser dat Bergopwaarts tekort was geschoten in haar informatieplicht en volgt de eiser niet in haar bewering dat er sprake zou zijn van een krediet in de zin van de Wet financieel toezicht (Wft). Daarom geldt er voor Bergopwaarts geen bijzondere zorgplicht. De rechter heeft ook geen behoefte aan een nader deskundigenoordeel over dit onderwerp.
Verder stelde de eiser dat Bergopwaarts haar bij de verkoop onvoldoende had geïnformeerd over de verrekening van de koperskorting bij terugkoop. De rechter oordeelde dat eiser deze stelling onvoldoende had onderbouwd. Daarbij was van belang dat Bergopwaarts duidelijk kon maken hoe de informatievoorziening had plaatsgevonden. Verder benadrukte de rechter nog dat de eisers weliswaar een consument was die tegenover een professionele partij stond, maar daarbij wel een eigen verantwoordelijkheid en onderzoeksplicht heeft bij een grote aankoop als een woning.
Ook was de rechter het oneens met de stelling dat Koopgarant een risicovol product zou zijn, wat zou blijken uit het feit dat eiser met een restschuld was geconfronteerd bij terugkoop. Naar het oordeel van de rechter was dit het gevolg van de algemene daling van de huizenprijzen in de betreffende periode. Daartegenover bood de terugkoopgarantie bij Koopgarant eiser juist een voordeel.

 

Dwaling

De eiser had bovendien een beroep gedaan op dwaling, omdat zij onjuist zou zijn geïnformeerd. Voor dwaling geldt een verjaringstermijn van 3 jaar vanaf het moment dat de dwaling is ontdekt. De rechter stelde vast dat deze termijn was begonnen op het moment dat de eiser de terugkoopprijsberekening had ontvangen. Haar aansprakelijkheidsstelling was later dan 3 jaar na dit moment. Door de verjaring wees de rechter de vordering op grond van dwaling af.

 

Taxaties

De eiser stelde dat er geen sprake was van een taxatie maar van een "waardebepaling". De rechter volgde de uitleg van Bergopwaarts dat de "waardebepaling" het verslag was van een taxatie. Bovendien nam de rechter in aanmerking dat eiser door ondertekening van de koopovereenkomst had ingestemd met de vastgestelde waarde.
Volgens de eiser had de taxateur bij terugkoop niet mogen taxeren, omdat hij ook eerder de verkopend makelaar was geweest. Hiermee verwees zij naar de Koopgarantbepalingen: “De Taxateur mag niet direct of indirect betrokken zijn bij de aan- of verkoop of bij de financiering van het Registergoed”.
De rechter oordeelde dat deze zinsnede inhoudt dat de taxateur en de makelaar in één transactie niet dezelfde persoon mogen zijn. Dat is hier niet het geval dus was de taxatie niet op gebrekkige wijze tot stand gekomen. Daarbij komt de rechter tot een andere conclusie dan in  juni 2016 de voorzieningenrechter in een kort geding tegen WonenBreburg.

 

Dit is de eerste uitspraak in een reeks van gelijksoortige procedures, aangespannen door dezelfde advocaat. Op 28 mei won inmiddels een andere corporatie een zaak die inhoudelijk in hoge mate vergelijkbaar is. De komende tijd zijn er ook in diverse andere zaken uitspraken te verwachten.

 

Lees hier de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant in de zaak tegen Bergopwaarts.

Alle nieuwsberichten

Gerelateerde nieuwsartikelen

Raad van State wijst wetsvoorstel differentiatie overdrachtsbelasting af

De Raad van State heeft een vernietigend advies gegeven over het wetsvoorstel Wet differentiatie overdrachtsbelasting. Het is niet doelmatig...

Lees meer

Persbericht OpMaat Overdrachtsbelasting

Wetsvoorstel Wet differentiatie overdrachtsbelasting maakt Koopgarant-verkoop onmogelijk voor corporaties. OpMaat verzoekt om aanpassing.

Lees meer